1.1a2

Friday, September 27, 2002

Waarom kunnen traditionele banken geen lid zijn van een vereniging voor elektronisch geld instellingen zoals 1.1a2?

Tijdens een bijeenkomst van ECP.NL in Media Plaza is deze week ter sprake gekomen dat naast 1.1a2 ook de Nederlandse Vereniging van Banken een rol claimt als representatieve organisatie voor Instellingen voor Elektronisch Geld (in een separate vereniging met de naam Nederlandse Vereniging van Instellingen voor Elektronisch Geld (NVIEG). Aan de orde kwam toen het gegeven dat 1.1a2 statutair de traditionele banken als mogelijk lid uitsluit. Omdat vaker gevraagd wordt naar de achtergrond hiervan, volgt hier een korte toelichting.

Het statutaire doel van 1.1a2 is:
De elektronisch geld instellingen in Nederland te vertegenwoordigen en te ondersteunen bij de oriëntatie en gedachtevorming over de inrichting van hun bedrijfsvoering, met name bezien vanuit het vraagstuk van de toepasselijke regelgeving en hun te vervullen maatschappelijke rol en al hetgeen met het voorgaand in de ruimste zin des woords verband houdt.

In de sinds 1 juli 2002 aangepaste Wet toezicht Kredietwezen worden de uitgevers van elektronisch geld gezien als een aparte klasse van kredietinstellingen, waarvoor geldt dat:
... die ondernemingen of instellingen geen “kredietinstelling” zijn als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 1 van de Wet Toezicht Kredietwezen, maar die wel gelden ter beschikking krijgen in ruil waarvoor elektronisch geld wordt uitgegeven waarmee betalingen kunnen worden verricht aan anderen dan de onderneming of instelling die het elektronisch geld uitgeeft.

De lidmaatschaps-vereisten voor 1.1a2 zijn tot stand gekomen op grond van diverse overwegingen. Allereerst is daar de wettelijke definitie van elektronisch geld instellingen. Omdat hierin de traditionele banken (de “kredietinstelling” als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, sub 1 van de Wet Toezicht Kredietwezen) zijn uitgesloten, zijn de traditionele banken per definitie geen elektronisch geld instelling. Het toelaten van de traditionele banken tot een vereniging van elektronisch geld instellingen is daarmee een contradictio in terminis. Een tweede overweging is dat de nieuwe elektronisch geld instellingen zich - als veelal jonge, technologie-intensieve ondernemingen - kenmerken door een eigen problematiek m.b.t. de aard van de bedrijfsvoering.

1.1a2 streeft in haar werkwijze naar open en transparant overleg en informatie-uitwisseling met alle bij elektronisch geld betrokken partijen. Zo wordt in Nederland actief overleg gevoerd met De Nederlandsche Bank en het Ministerie van Financiën over actuele thema's voor elektronisch geld instellingen. Te denken is aan de vraagstukken m.b.t. witwassen van gelden (FATF rapport) en m.b.t. mogelijke definities van elektronisch geld systemen. Verder trekt de vereniging in Europees verband op met de Engelse zustervereniging: the e-money association.

In het streven een platform voor communicatie en informatie-uitwisseling te zijn heeft 11a2 deze website ingericht, met nadere informatie over een conferentie over elektronisch geld, de statuten van de vereniging en bespreking van actuele thema's voor elektronisch geld instellingen. Voor meer informatie kunt u deze korte powerpoint presentatie downloaden of per e-mail contact opnemen om een afspraak te maken met de voorzitter (Kees Klomp) of de secretaris (Simon Lelieveldt).



Wednesday, September 25, 2002

DNB geeft geen groepsgewijze ontheffing

De markt voor elektronisch geld produkten kent twee soorten aanbieders; zij die onder volledig bancair regime vallen en zij die onder elektronisch geld regime vallen (nieuwe spelers). In deze laatste markt is de zorg van (leden van) 11a2 dat sommige partijen een groepsgewijze ontheffing (feitelijk dus een vrijstelling) zouden krijgen die dat deel van het speelveld verstoort. De verstoring kan ontstaan omdat de business case van sommige van de nieuwe spelers, op grond van de emi-richtlijn, deels gebaseerd is op het gegeven dat alle gelijksoortige systemen onder gelijksoortige regels gaan vallen.

In reactie op deze uitgesproken zorg heeft DNB vandaag kenbaar gemaakt geen groepsgewijze ontheffing te zullen verstrekken omdat dit niet tot haar bevoegdheden hoort.


Tuesday, September 24, 2002

Elektronisch geld instelling valt niet onder collectieve garantieregeling

Zie de tekst in de Wet toezicht Kredietwezen:

§ 3. Collectieve garantieregeling
Artikel 84

1. De Bank pleegt overleg met de betrokken representatieve organisaties over de invoering van een regeling omtrent een garantie voor nader te bepalen schuldvorderingen van natuurlijke personen, rechtspersonen en vennootschappen tot een nader te bepalen maximum op kredietinstellingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder a, zijn geregistreerd, tegen het risico, dat een zodanige onderneming of instelling haar verplichtingen met betrekking tot die schuldvorderingen niet nakomt.

2. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid leidt tot overeenstemming tussen de Bank en alle betrokken representatieve organisaties, worden bepaald, dat de kredietinstellingen bedoeld in het eerste lid alsmede de instellingen die gebruik maken van de vrijstelling bedoeld in artikel 12 van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135) verplicht zijn aan de uitvoering van die regeling mede te werken.

3. Onze Minister kan besluiten dat een kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, die ingevolge artikel 52, tweede lid, onder b, is geregistreerd, verplicht is aan de uitvoering van de regeling bedoeld in het eerste lid mee te werken, indien de Bank van oordeel is dat voor de schuldvorderingen op die kredietinstelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, onder 1° geen garantieregeling van toepassing is, welke gelijkwaardig is aan de dekking bedoeld in artikel 6, eerste lid, van richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PbEG L 135).

4. Bij koninklijk besluit kan, indien het overleg bedoeld in het eerste lid niet binnen een door Onze minister te bepalen termijn leidt tot overeenstemming, dan wel indien de regeling, waaromtrent overeenstemming is bereikt, niet de instemming van Onze minister heeft, een regeling als bedoeld in het eerste lid worden ingevoerd, nadat de Bank, de Bankraad en de betrokken representatieve organisaties in de gelegenheid zijn gesteld hun gevoelen omtrent de inhoud van de in te voeren regeling kenbaar te maken.

5. Binnen twee maanden, nadat een regeling krachtens het vierde lid is ingevoerd, wordt door Ons een voorstel aan de Staten-Generaal gedaan om deze regeling bij de wet te bekrachtigen. Indien het voorstel door een van beide Kamers der Staten-Generaal wordt verworpen, wordt deze regeling terstond ingetrokken. Van de intrekking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

6. Het bepaalde in het eerste, tweede en derde, onderscheidenlijk vierde en vijfde lid is mede van toepassing op wijziging en intrekking van een garantieregeling, tot stand gekomen met inachtneming van die bepalingen.




Thursday, September 19, 2002

DNB geeft minder inzicht dan gehoopt...

Op 18 september heeft 11a2, in reactie op een daartoe strekkend verzoek, van DNB vernomen dat anders dan het verslag van de Consultatie Elektronisch Geld, geen verdere informatie wordt verstrekt over het aantal reacties en de inhoud ervan. DNB wijst het beroep op de Wet Openbaarheid Bestuur af met een verwijzing naar de Wet toezicht Kredietwezen.



Link naar meer algemeen weblog over betalingsverkeer

Copyright 1.1a2
Gebruik van het log wordt aangemoedigd, zij het wel met bronvermelding.